Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Uur van de waarheid voor de Nederlandse landgeit

Ingediend door jinke op 17 augustus 2015 - 15:19
Uur van de waarheid voor de Nederlandse landgeit
 
Tekst: Jinke Hesterman
Foto's: Jan Smit/Dierenbeeldbank
 
Voor de Nederlandse landgeit is het uur van de waarheid aangebroken. Fenotypisch past het type zoals we dat nu kennen bij het plaatje van vroeger en komt de geit overeen met de Noordwest Europese landrassen. Maar genotypisch is de geit een geval apart. De discussie tussen de rekkelijken en de preciezen laait weer op.
 
Fokkers hebben de afgelopen decennia een landgeit gecreëerd die volledig op zichzelf staat, zo is uit genetisch onderzoek gebleken. Voor een veronderstelde verwantschap met andere Noordwest Europese landrassen bestaan geen aanwijzingen. Alleen de link met de Engelse landgeiten valt nog niet geheel uit te sluiten. 
Genetisch is de landgeit weliswaar uniek, maar die unieke genen heeft de geit vooral te danken aan reconstructie, veredeling en cultivering in de afgelopen dertig, veertig jaar. Daarmee is de huidige Nederlandse landgeit historisch gezien minder waardevol dan misschien werd gehoopt. De Nederlandse landgeit zoals we die nu kennen lijkt op een oud ras, maar is het niet.
 
Terwijl het bestuur van de Landelijke Fokkersclub Nederlandse Landgeiten de resultaten van het zogeheten Nordic Goat onderzoeksproject nog moet zien te vertalen in een nieuw fokbeleid, laaide het debat tussen de rekkelijken en preciezen binnen de vereniging weer op: moet het stamboek geopend worden of gesloten blijven? Is het fokbestand niet te klein? Er wordt met slechts vijfhonderd geiten en zo’n 150 bokken daadwerkelijk gefokt. Leidt dit niet tot genetische verarming?
 
Het blijkt een steeds terugkerende discussie: moet een kleine, kwetsbare groep beschermd worden tegen mogelijk slechte invloeden van buiten, of moeten juist zoveel mogelijk dieren deelnemen aan de voortplanting om zo de nadelen van inteelt te beperken? De rekkelijken, voorstanders van een open stamboek, willen meer diversiteit. Zij zeggen: ''Over vijftig jaar is onze geit nog steeds bedreigd en is het landras verdwenen.'' De preciezen, voorstanders van een gesloten stamboek, zeggen: ''Versoepeling van de rasstandaard en het toestaan van nog meer diversiteit leidt tot een vervaging van de typische kenmerken van de Nederlandse landgeit.''
 
Succesverhaal
De preciezen en ook de rekkelijken kunnen bogen op een succesverhaal. Hun beider inbreng in het fokbeleid heeft de afgelopen decennia z'n vruchten afgeworpen. In de jaren zestig van de vorige eeuw bleek dat van het type landgeit – middelgroot, stevig gebouwd, gehoornd, vrij korte poten – weinig meer over was. In 1971 kwam het restant terecht op het Rijks Instituut voor Natuurbeheer in Leersum. Gelet op de inteeltverschijnselen die zich bij hun nakomelingen voordeden, werd besloten tot de inzet van rasloze dieren. In 1978 constateerden W. van Helden en D. Minkema in hun ''Inventarisatierapport zeldzame huisdierrassen'': ''Van de Veluwse geit, ook wel Nederlandse landgeit genoemd, komen maar enkele exemplaren meer voor, en dan meestal ook niet meer raszuiver''. 
 
De landelijke fokkersclub, met zijn actieve afdelingen, en de Stichting Zeldzame Huisdierrassen speelden een belangrijke rol in de reconstructie van de Nederlandse landgeit. Vijftig jaar nadat de alarmbellen rinkelden, staat er een populatie die rond de 2000 fokgeiten omvat. Een populatie waarvan onderzoekers Jack Windig en Sebastian Mucha in 2009 vaststelden dat deze niet langer wordt bedreigd door inteelt. Een constatering die anno 2014 nog altijd opgeld doet, hoewel de basis waarmee wordt gefokt nog altijd erg smal is en qua omvang zeker niet toeneemt. De trend is krimp. Het aantal gekeurde dieren vertoont sinds 2009 zelfs een dalende tendens, het aantal leden van de LFNL dat dieren laat keuren, idem dito.
 
Geen sportfokkerij
Het bestuur van de fokkersclub laat zich geregeld van z'n rekkelijke kant zien. Zo werd in het jubileumboek van 2007 gesteld: ''Bij het fokken moet de genetische diversiteit gekoesterd worden. Een van de kenmerken van een landras is dat er van een zekere spreiding van exterieur sprake is. Dit betekent ruimte voor de fokker om binnen de aangegeven kaders zijn eigen richting te bepalen. De LFNL moet ervoor waken dat het geen sportfokkerij wordt.'' 
 
Huidig voorzitter Johannes Tigchelaar hield zijn leden in 2010 voor dat variatie van levensbelang is voor het landgeit type. Die variatie kan worden behouden door:
 
• geen gemeenschappelijke voorouders te gebruiken
• op zoek te gaan naar minder verwante dieren
• gebruik te maken van onverwante dieren
• effectieve fokpopulatie te vergroten
• veel bokken veel geiten te laten dekken
• nauwelijks selectie te plegen, behalve natuurlijke.
 
Johannes Tigchelaar zegt desgevraagd dat hij er nog steeds zo over denkt. Toch is bij keuringen de inmiddels 32 jaar oude rasstandaard nog altijd richtinggevend, hetgeen uniformiteit in de hand werkt. Het blijft schipperen tussen de rekkelijken en de preciezen. De rekkelijken hechten niet zoveel waarde aan topdieren. De preciezen daarentegen willen niet dat er fouten in de stamboekdieren sluipen. De rekkelijken waarschuwen op hun beurt dat dit kan leiden tot genetische verarming.
 
Te weinig melkgift
Fokster Corrie Mandemaker maakte in het clubblad onlangs melding van te weinig melkgift bij haar tweejarige geiten. ‘’Wij zoeken altijd een bok die weinig of niet verwant is aan onze dieren. Maar het wordt steeds moeilijker om een dier te vinden dat een bepaalde familielijn niet in zijn gelederen heeft.’’ Mandemaker vermoedt dat een geringe melkgift waarschijnlijk al recessief in haar kudde aanwezig was. Het is een fenomeen dat in de hele populatie landgeiten voorkomt. ‘’Gelukkig kunnen wij teruggaan naar geiten die afstammen van dieren van voor een bepaalde jaargang, zodat wij met mindere geiten fokken, maar wel de genetische diversiteit nog kunnen waarborgen. Ik vraag me wel eens af: worden we prijsfokkers of fokken we om de Nederlandse landgeit een toekomst te geven?’’  
 
De fokkersgroep Midden Nederland gaf onlangs in hetzelfde clubblad een even duidelijk signaal af. Deze afdeling wil voorkomen dat over tien jaar alle landgeiten in Nederland sterk op elkaar lijken. Er zou meer gefokt kunnen worden op variatie in kleur, aftekening, beenwerk en beharing, aldus Albert van der Streek. ''Het aantrekkelijke van het fokken met de landgeit is dat een eigen voorkeur van de fokker niet storend is, maar juist verrijkend voor het ras kan zijn, mits niet iedereen hetzelfde gaat doen.''
 
Nog voldoende variatie
Volgens Tigchelaar zit er nog voldoende variatie in het ras. ''Zolang je niet weet wat er uit een paring komt, zit er rastechnisch gezien nog voldoende diversiteit in. We gebruiken ook voldoende bokken.'' Toch is hij geen tegenstander van kruisingen met ander, buitenlands landgeitenbloed. Los van het probleem met de melkgift, ook andere aangeboren en mogelijk erfelijke afwijkingen doen zich voor bij de Nederlandse landgeit. Zelf is hij daar zeer open over. In het jubileumboek van 2007 maakte hij melding van onder meer open ruggetjes, hazenlippen, en dwerggroei. Dergelijke afwijkigen komt hij nog steeds tegen. Het hoeven niet allemaal gevolgen te zijn van inteelt, benadrukt hij, maar ze moeten wel gemeld worden, aldus Tigchelaar. Het nieuwe stamboeksysteem biedt daartoe ook de gelegenheid. Tigchelaar vindt dat er nog te weinig gebruik van wordt gemaakt. ''Misschien moeten we daar nog iets meer dwingend in zijn. Die kant wil ik wel op.''
 
Dossier
Verschenen in