Een combikip zonder subsidie

Edsko Takens en zijn combikip
Levende Have, augustus 2014
Tekst Jinke Hesterman; Foto Jan Smit/Dierenbeeldbank
 
Het topsectorenbeleid van het kabinet ondervindt veel kritiek. De innovatiegelden zouden vooral ten goede komen aan de grote bedrijven. Innovaties die plaatsvinden in schuurtjes en op zolders krijgen onvoldoende aandacht. Edsko Takens uit Westervoort doet aan innovatie in de achtertuin. Daar ontwikkelt hij een combikip. Zonder een cent subsidie.
 
Hij is bijna zo ver. De haan komt al een heel eind in de buurt van wat hem voor ogen staat. In het hok zit een witte hen te broeden. Voor haar geldt hetzelfde. ‘’Westervoorters’’ of ‘’Taki’s’’ gaat hij ze misschien wel noemen. Goede leggers en een prima bout. Echt een kip voor een zelfvoorziener, zegt Edsko Takens. Hij zoekt nu naar mede-fokkers die meehelpen de nieuwe combikip verder te ontwikkelen.
 
Zijn dubbeldoelkip kent een lange voorgeschiedenis. Zijn opa had een kippenbedrijf, zijn vader had duiven en altijd wel wat opvangkippen. Toen hij eenmaal op zichzelf ging wonen en een eigen huisje kreeg, kwamen er al snel een paar Rhode Island Reds, Noord-Hollandse Blauwen en een (Warren) legkip die veel eieren legde. Een kruising van die drie rassen - een autosexende kip - legde eieren van wel tachtig gram en vaak meer. ‘’Ze pasten niet eens in het doosje’’, herinnert Edsko Takens zich. Toen dochter Melanie begon te lopen werden de dieren wegens ruimtegebrek van de hand gedaan.
 
Welsumers
Veertien jaar geleden verhuisde hij naar Westervoort, naar een deel van een driehonderd jaar oud dijkboerderijtje, met een kippenhok in de achtertuin en struiken eromheen die beschutting geven. ‘’Hier begonnen we met Welsumers’’, vertelt hij. ‘’Een zeldzaam ras, erg mooi om te zien. Maar ze vielen een beetje tegen. Het waren wilde kippen, ze legden alleen in het voorjaar en in de zomer en de hanen waren nogal agressief tegen elkaar. De hennen waren niet zo broeds. Ze gingen wel zitten, maar verlieten halverwege de broedperiode van het nest. Ik heb er toen Marans doorheen gekruist, goede leggers en vroegrijp. Die leggen donkerbruine eieren. Alleen die veren aan de poten, dat vond ik wat minder. Ze pasten ook niet in de pan, zo groot waren ze.
 
Welsumer x Marans x New Hampshire x Wyandotte x Hubbard JA 57 = combikip
‘’Uit Duitsland heb ik daarna Wyandottekrielen gehaald. Die liepen daar in een bos en waren dus erg vitaal. Met deze Wyandotte heb ik geprobeerd onze kippen wat kleiner te maken en er broedsheid in te brengen. Het uiterlijk vond ik minder belangrijk. Dat kun je altijd nog wijzigen. Om een kip voor de zelfvoorziener te krijgen, moet je er toch eerst bepaalde eigenschappen in zien te fokken. Dankzij de krielen kwamen de kippen wat meer aan de maat, ze waren goed voor de vroegrijpheid en winterleg, maar de vleessmaak ging achteruit. Daarom heb ik na de Wyandotte nog New Hampshire en vervolgens slachtkuiken moederdieren – de Hubbard JA 57 – ingekruist. Daar kon ik via een bedrijf aan komen. Het zijn compacte kippen, ze leggen ontzettend veel en er zit meer vlees aan.
 
‘’Ik ben nu zo ver dat er verschillende lijnen in het hok zitten. Tot dusver heb ik telkens kruislings gefokt. Een hen van de ene lijn op een haan van de andere lijn. Dan is het elke keer maar weer afwachten wat eruit komt. Door inteelt kan ik nu gericht gaan fokken op bepaalde eigenschappen. Zonder inteelt kom je nergens. Als ik wat ik nu heb, kan consolideren, dan ben ik zo ver. Probleem is alleen dat ik hier niet teveel hanen kan houden en dat ik eigenlijk te weinig hokken heb. Het zou leuk zijn als ik dit met meerdere mensen kan voortzetten, mensen die willen meedenken en die kippen willen ruilen. Ik kan zelf namelijk niet meer dan twee of drie toompjes houden.’’
 
Edsko Takens beschrijft zijn combikip als volgt:
de hennen wegen tussen de 1,8 en 2 kilo; de haantjes rond de 3 kilo;
de hennen leggen heel veel eieren van ongeveer zestig gram, ook ’s winters, zonder bijlichten;
de combikippen zijn compact van bouw;
ze zijn verdraagzaam en rustig;
ze zijn nooit ziek en hoeven niet te worden ingeënt;
ze zijn vruchtbaar;
ze hebben bij voorkeur een rozenkam, die bevriest minder snel;
hun poten zijn licht van kleur;
hun verenkleed is wit of patrijs (de kleurslag patrijs is autosexend, dat wil zeggen: haantjes onderscheiden zich al van hennetjes als ze nog een kuiken zijn).
 
De hanen gaan vanaf een week of twaalf één voor één in de pan. Takens is een groot liefhebber en zit er niet zo mee om ze te slachten. Als zoon van een pluimveehouder is hij wel wat gewend.’’ Dan kijk je er toch wat anders tegenaan dan wanneer je in de stad woont’’, merkt hij op. Hij eet altijd al zijn eigen hanen op. Zo ook destijds de Noord-Hollandse Blauwen, die algemeen bekend staan als echte vleeskippen. ‘’Ik vond ze niet zo lekker’’, bekent hij. ‘’Die ik nu heb zijn lekkerder. Dat komt waarschijnlijk door de slachtkuiken moederdieren die erin zitten.’’
Zouden ze geschikt zijn voor de industrie? ‘’Als uitgangspositie is deze combikip zeker bruikbaar.’’
 
Onderzoek: ''Combikip kost teveel''
Een speciaal ras dubbeldoelkippen voor de grootschalige productie van eieren en pluimveevlees lijkt niet erg kansrijk. De combikip kost gewoon teveel.

In opdracht van het ministerie van Economische Zaken is er een onderzoek uitgevoerd. Aanleiding was de kritiek vanuit de maatschappij op het jaarlijks doden van ruim veertig miljoen eendagshaantjes. Een combikip zou hun redding kunnen betekenen. Maar volgens Ferry Leenstra van Wageningen Universiteit en Research, die de marktkansen van de dubbeldoelkip onderzocht, is het helemaal niet aantrekkelijk om een nieuw type kip te fokken, dat qua formaat en bevleesdheid geschikt is voor én eiproductie én vleesproductie. Bij een dubbeldoelkip zijn de hennen zwaarder dan reguliere leghennen. Zij hebben vanwege het hogere gewicht elke dag zoveel meer voer nodig, dat hun voor vleesproductie geschikte broertjes de kosten daarvan niet kunnen compenseren, stelt ze vast in het rapport ‘Marktkansen voor een combikip.’
 
Het voerverbruik van een speciaal dubbeldoelras kan alleen uit als de voerkosten extreem laag zijn, doordat de kippen leven van restjes of zelf hun voer bij elkaar scharrelen. Mogelijkheden zijn er misschien in de biologische pluimveehouderij, aldus Leenstra. Als voor zo’n doel een speciaal fokproduct gevraagd wordt, moet er wel rekening worden gehouden met regelgeving en logistiek. Fokdieren moeten vrij zijn van een aantal ziektes en de broederij moet aan hygiëne-eisen voldoen. Het zal lastig lastig zijn om met een nieuw fokbedrijf te starten en daaruit een speciaal dier te leveren, concludeert Leenstra.
 
De broertjes van gewone leghennen bieden volgens haar meer kansen. Ze hebben wel een ander formaat en een andere bouw dan vleeskuikens. De slachtlijn moet dus speciaal op deze haantjes afgestemd kunnen worden. Dat vereist tijd en het is de vraag of dat in de standaardslachterijen voor vleeskuikens wel kan. Vooralsnog zal een kleinschaliger slachterij de voorkeur hebben.
Dossier: 
Verschenen in: 

Reactie toevoegen

To prevent automated spam submissions leave this field empty.
CAPTCHA
We stellen u deze vraag om te controleren of u een mens bent in plaats van een automatisch script.